Het referentiekader: maatwerk en afstemming
Het Ministerie van OCW heeft het referentiekader taal en rekenen in het leven geroepen. Voor Bianca Boerlage, schoolleider bij de Driemaster, was het lange tijd taaie materie. Totdat ze een cursus volgde bij Pepijn Dousi van Motivatiemeesters. Nu is ze helemaal overtuigd: ‘Onze kinderen verdienen dit.’


Pepijn Dousi
Wat is het referentiekader precies? Pepijn legt het uit. ‘Het kader beschrijft wat leerlingen van het primair tot het voortgezet onderwijs moeten kennen en kunnen op de vakgebieden taal en rekenen. Alle kinderen in Nederland moeten aan het eind van groep 8 minimaal niveau 1F halen. Dat is een wettelijke opdracht. Daarnaast willen we dat zoveel mogelijk kinderen het streefniveau 2F (taal) en 1S (rekenen-wiskunde) behalen. Of ze nu naar het vmbo of het vwo gaan, dat maakt niet uit.’
1S betekent bijvoorbeeld dat kinderen begrijpen wat het rekenconcept schaal precies is. Dit lijkt misschien alleen belangrijk voor kinderen die architect willen worden, maar dat is een misverstand, zegt Pepijn. ‘Ook als je later timmerman wil worden, heb je er iets aan. Dan moet je een bouwtekening op schaal kunnen lezen.’
Schaal is natuurlijk een abstract begrip. Daarom is het belangrijk dat kinderen hier al op jonge leeftijd kennis mee maken. Pepijn: ‘De leerkracht van groep 1-2 kan bijvoorbeeld uitleggen wat het verschil is tussen groot en klein. Dat is al heel nuttig. Want als kinderen hier pas in groep 7 en 8 mee beginnen, komt alle druk op de schouders van alleen díé leerkrachten terecht. En dat werkt niet.’
Hier komt het referentiekader van pas. Dit kader biedt leerkrachten namelijk handvatten om met elkaar over de voortgang van leerlingen te praten. Zodat iedere leerkracht, in elke groep, zijn of haar steentje kan bijdragen.
Het toewerken naar de streefniveaus draait om samenwerking, benadrukt Pepijn. ‘Het is onmogelijk om de doelen te halen als iedereen op zijn eigen eilandje zit.’
Ook kunnen leerkrachten het referentiekader als een soort richtingaanwijzer gebruiken. Ze zien direct waar elk kind staat en wat de volgende stap is. Dat biedt grip en vertrouwen. En kinderen en ouders hebben er net zo goed profijt van. Zij kunnen zien waar de kinderen naartoe werken.
‘Het referentiekader geeft richting en kan daarom heel motiverend zijn.’
Bianca weet als geen ander hoe ingewikkeld het referentiekader kan lijken. ‘Voor mij was het eerst echt abracadabra,’ zegt ze. Wat enorm hielp, was dat de Driemaster overstapte op een nieuw leerlingvolgsysteem waarin we voor elk kind precies kunnen zien welke doelen bereikt zijn. Dus ook wanneer niveau 1F is gehaald. Daarmee is het veel overzichtelijker en tastbaarder geworden en kunnen we gerichter sturen op wat de kinderen nodig hebben.’
Zo is er een rekenspecialist in de arm genomen. Die helpt nu het hele team van de Driemaster. ‘Dat is zo gaaf,’ zegt Bianca. ‘Ze laat met heel concrete voorbeelden zien hoe je al bij de kleuters het niveau omhoog krijgt. Het inzetten van de juiste rekentaal voegt daarbij echt iets toe.’
Pepijn wordt blij van Bianca’s enthousiasme. ‘We moeten af van de druk die veel leerkrachten ervaren,’ zegt hij. ‘Het referentiekader geeft richting en kan daarom heel motiverend zijn.’
‘Er is bij ons nu vooral sprake van bewustwording,’ zegt Bianca. ‘We beseffen dat we het aan alle kinderen verschuldigd zijn om hun volledig potentieel te benutten. Hoge verwachtingen helpen daarbij.’ Bij SaKS beloven we de kinderen we ze steeds uit blijven dagen om ook moeilijke dingen te proberen, fouten te mogen maken en nieuwe dingen te leren. Het referentiekader helpt ons inzichtelijk maken op welk niveau we elk kind kunnen stimuleren.
Het allerbelangrijkste, daar zijn Pepijn en Bianca het over eens, is dat leerkrachten zich competent voelen. Ze snappen waar ze mee bezig zijn, en daardoor kunnen ze kinderen vertrouwen geven; precies wat kinderen nodig hebben om te floreren.


